screen-shot-2018-06-24-at-11-52-39Cirkel van verbondenheid
21 januari 2018 Brigitte Puissant

Ik was vijftien jaar toen ik op een dag overweldigd werd door een groots Licht. Een indrukwekkende, intense gloed nam me helemaal in bezit. Het was alsof ik voor even zelf niet meer bestond. Ik voelde me geheel opgenomen. Er was geen specifieke aanleiding. Ik zie me nog staan, in mijn kamer, naast mijn bureau, toen het gebeurde. Ja, het was een groots, totaal gebeuren. Alsof ik, in een flits, kennismaakte met een werkelijkheid die me compleet oversteeg.Ik wou begrijpen wat me overkomen was. Ik las in de Bijbel. Een gekend boek voor mij. Op school kreeg ik katholieke godsdienst en thuis gingen we elke zondag naar de mis, eerder uit traditie.
Thuis spraken we niet veel over godsdienst. In de Bijbel, die ik op mijn kamer liggen had, vielen me twee uitspraken op uit het Nieuwe Testament. De eerste was: “Ik ben de Wijnstok, gij de ranken.” De tweede: “Wat je voor de minsten van de Mijnen hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Het eerste drukte een innige verbondenheid uit met een goddelijke Jezus, het tweede was een missie.

De dag na die Lichtervaring, na die Godservaring, want zo noemde ik het achteraf, kon ik al mijn klasgenoten liefhebben. Daarvoor was dat niet zo. Ik veroordeelde de meisjes die op café gingen of al een lief hadden. Ik maakte als het ware op jonge leeftijd een nieuwe geboorte mee, een doorbraakmoment. Er was een onzichtbare dimensie bijgekomen, een Aanwezigheid. De wereld zag er vanaf toen anders uit. Ze kreeg een bijzondere kleur. Van dan af kon ik iedereen liefhebben. Een diepe vreugde doortrok me. Een vreugde die ik absoluut niet in de kerk terugvond en die ik met niemand kon delen. Ik voelde me heel eenzaam.

Franciscus van Assisi werd een inspiratiefiguur. Op school keken we naar de film ‘Broeder Zon en zuster Maan’ van Franco Zeffirelli. Ik was diep ontroerd. Zijn leven raakte aan dat van mij. Zoals hij nam ook ik afstand van het milieu waarin ik woonde en verkende andere, voor mij tot dan toe, vreemde werelden. Mijn ouders wilden me een reis naar Amerika cadeau doen toen ik achttien werd, maar ik wou treintickets in de plaats om in Poverello te werken aan Brussel Zuid.

Vooral kwetsbare kinderen uit kansarme gezinnen of gezinnen met een migratiegeschiedenis appelleerden me. Ik werd pedagoge en zette me heel mijn loopbaan en ook vrijwillig in voor deze doelgroep. Mijn inzet was professioneel en spiritueel tegelijk. Ik wou de minsten ontmoeten, ik wou hen nabij zijn. Ik wou naar hen luisteren. Hun verhalen horen. Meeleven. Hun noden erkennen en er, binnen mijn mogelijkheden en op mijn terrein, aan tegemoet komen.

Ik werkte in de jaren ‘80 en ‘90 op een PMS centrum in Mechelen. Nu heet dat CLB (Centrum voor Leerlingen Begeleiding). Ik was verantwoordelijk voor het onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten. In dat kader ontmoette ik de eerste Berbergezinnen. De Marokkaanse gastarbeiders van toen kwamen voornamelijk van het platteland in Marokko. Een volk met een Berberse cultuur. Ik kwam bij hen thuis omdat de interculturele bemiddelaar de deuren voor mij opende. Ik was voor hen ‘Brigitte met twee kinderen’. Ik werd verwend met gastvrijheid, zoetigheden en veel muntthee. Waar wij mee bezig waren op het toenmalige PMS centrum stond mijlenver af van de cultuur en de levenswijze van deze mensen. Samen met het buurt- en welzijnswerk van toen, organiseerden we de eerste moederbijeenkomsten. We gaven samen met tolken informatie over ons onderwijs. We organiseerden oudercafés en interculturele ontmoetingen.

De dominante sfeer in het onderwijs was echter ronduit racistisch. Hun grappen over de moslims, hun veroordelingen, deden me pijn. Ikzelf kreeg ook harde kritiek: ik legde er te veel eieren onder en het was simpel: niet wij , maar zij moesten zich aanpassen. Alsof het zo eenvoudig was!

De maatschappelijk werkers op onze dienst legden vaak dossiers opzij als ze op huisbezoek waren geweest en het gezin niet thuis was. Tijdens de vakantie, toen er meer tijd was, zocht ik die kansarme gezinnen op. Ik kwam in kebabzaken, prostitutiebuurten, cafeetjes achterin met veel rook en schrijnende verhalen, huisjes met vochtige wanden en zieke kinderen… Ik ontmoette tandeloze mensen met vet haar, die twee stoelen nodig hadden om te zitten. Toen ik mensen niet thuis vond, ging ik naar de wijkagent, die me vertelde dat mensen een hele dag in café’s zaten omdat hun elektriciteit en gas afgesloten was. Al die ontmoetingen herinner ik me als warm. Soms eerst wantrouwig, maar dan door een of ander eenvoudig iets toch openheid. Mensen voelden zich gezien en ontvangen. God of de Liefde met grote L was bij me. Het waren goddelijke ontmoetingen. Ze vroegen me veel inspanning, moed en het overwinnen van weerzin. Maar ik hoorde telkens: “Vrees niet!” En ik kreeg inderdaad honderdvoudig terug.

Langs om meer ontdekte ik de gemene kanten van het racisme, hoe ze zich zelfs als een maffia organiseerde. Op een dag stelde ik vast dat heel wat kinderen met migratie-achtergrond in het buitengewoon onderwijs zaten terwijl de ouders het niet wisten. Men wou ze kwijt. En dat gebeurde systematisch en onwettig. Voor mij was de maat vol. Ik klaagde dit aan. En ik mocht gaan.
De pijn was niet te harden. De eenzaamheid groot. Ik moest zoveel gezinnen, welzijnswerkers en ook leerkrachten verlaten met wie ik iets had kunnen opbouwen.

Maar ik viel daarna met mijn gat in de boter. Dankzij deze ervaringen in Mechelen kon ik starten aan de hogeschool in Brussel, als lerarenopleider van de Bachelors Kleuteronderwijs. Ik belandde in een team van warme mensen, allemaal zoekend.
Brussel is een stad met veel armoede, met scholen waarvan de meerderheid van de kinderen thuis geen Nederlands spreekt, de stad waar veel culturen landen en voor het eerst kennismaken met België. Wij, als lerarenopleiders, voelden ons als avonturiers in deze schooltjes die om hulp schreeuwden. Hoe moeten we deze anderstalige, rusteloze kinderen in hemelsnaam onderwijzen? Wat een uitdaging! Ook hier ging ik weer de weg van de ontmoeting. Lesgeven over het gelijkekansenbeleid kon ik niet zonder contact te hebben met de gezinnen waarover het ging. Ik zette allerlei projecten op samen met enthousiaste collega’s en het sociaal netwerk in Brussel. We verplichtten studenten in het tweede jaar om voor te lezen in arme gezinnen. Zo doorbraken we veel vooroordelen. Ik deed mee. En op de middag bij een broodje wisselden we ervaringen uit, de studenten en ik. Acht jaar organiseerden we met een ploeg buitenschoolse opvang in een school in Anderlecht, waarbij studenten en docenten samen muzische activiteiten organiseerden op woensdagnamiddag voor een kleurrijke school. Dat was een feest, een vrije experimenteerplek ook. We kenden op de duur de tachtig kinderen en hun ouders…
De laatste jaren van mijn loopbaan mocht ik intercultureel lesmateriaal ontwikkelen. Ik leefde mee met vijf gezinnen in Brussel uit verschillende wijken en achtergronden. Een fotograaf maakte foto’s. We maakten er verhalen en vertelplaten van. De bedoeling was en is om met die verhalen als kapstok met de diversiteit van de klas aan de slag te gaan. Nog steeds werken de studenten enthousiast met dit herkenbaar materiaal evenals een honderdtal scholen.

Mijn goddelijke drive ten spijt ging ik eind 2013 kopje onder. Het licht ging uit. Ik kon niets meer. Zelfs niet meer lezen. Tien maanden niet. Waar was God? Waar was mijn enthousiasme? Mijn gedrevenheid? Mijn vitaliteit? Mijn dynamiek? Mijn bergen verzetten? Ik had me nog nooit zo moe gevoeld. Zo moe dat ik moest liggen. Ik kon het licht niet verdragen. Ik kon niet naar de winkel. Te veel prikkels. Ik had al veel meegemaakt, maar dit nog nooit. Ik wou vlug genezen, ik wou terug gaan werken, ik wou opnieuw deel uitmaken van ons team op school, ik wou over dat intercultureel lesmateriaal vorming geven. Zoveel plannen. Ik wou, ik wou, ik wou, ik wou… Het duurde een half jaar, vooraleer ik mijn willen kon loslaten en me overgeven.

Gij zijt zo groots
Te groot voor mij
Onuitvoerbaar
Onuitsprekelijk
Ongewoon

Te klein ben ik
Een mier ben ik
Een mens met een jasje en een muts

Een vermoeide mens In wie U zich wil verwerkelijken?

Gaandeweg werd het overduidelijk dat ik het gevecht tegen die vermoeidheid moest opgeven. Meer nog, dat ik haar te verwelkomen had. Ik sprak ze aan met ‘Vrouwe Vermoeidheid’.

Beste Vrouwe Vermoeidheid,
het is moeilijk voor me
telkens jij je aandient
je binnen te laten
je te ontvangen
je niet als vervelende of zelfs vijandige gast te zien
maar integendeel als een gast die het goede met me voorheeft.

Ik stel Je voor
als een lieve, zoete vrouw
in lange witte gewaden
die lief bij me wil zijn als een moeder.

Je wil me helen en handen opleggen.
Je gunt me tijd om te herstellen
van al wat pijnlijk in mijn systeem vastzit en geleidelijk wil losgemaakt worden.

Alleen met tedere handen lukt dat.
Alleen langzaam, met veel tijd
en het is Jij die dat kan,
Vrouwe Vermoeidheid.

Ik bid om vertrouwen in Jou.
Ik zal Je lief verwelkomen als Je aanklopt.

Amen

Het aanspreken met Vrouwe leerde ik van Franciscus van Assisi. Hij spreekt bijvoorbeeld over Vrouwe Armoede. Van hem leerde ik ook de pijn en het lastige een plek geven. Het lijden dragen. En daardoor innerlijke vrede vinden.
Maar dat ‘dragen’ bleef toch een processie van Echternach. Telkens ik nieuwe energie voelde dacht ik dat ik genezen was en borrelden weer plannen op. Mijn wil was sterk. Ik wou genezen. Ik wou terug naar mijn werk. Maar Vrouwe Vermoeidheid bleef aankloppen. Ik moest vervroegd met pensioen. Het werk waar ik mijn ziel aan had gegeven, moest ik loslaten. Het verdriet was immens. Emmers heb ik gehuild…

In de zomer ging ik naar Assisi. Ergens in een kerkje stond een levensgroot TAU-kruis in hout. Ik was daar helemaal alleen. Dit schreef ik in mijn dagboek:
“Ik kan Jou (Jezus) met heel mijn voorlijf aanraken achter het kruis. Met mijn armen omsluit ik je lichaam, je buik. Mijn huidig lijden voelt als een eindeloos verlies. Soms wil ik het opgeven. Maar zo heel dicht bij Jou komen staan en je gegeven lichaam omhelzen geeft me een liefdeshartstocht omdat ik zo diep en fel van Je hou. Omdat Uw leven waarachtig Leven is. Een leven in Liefde waar het kruis bij hoort. En eigenlijk is er niet veel nodig om deze hartstochtelijke Liefde te ervaren. Alleen aan U, of aan Franciscus denken volstaat. Laat ik niet kleinmenselijk bezwijken onder angsten en zorgen, maar me volop overgeven aan deze Liefde in overvloed.” (dagboek, 12 augustus 2015)

Door het omarmen van Jezus omarmde ik ook mezelf en kon ik mij ook graag zien, los van wie ik in de buitenwereld behoorde te zijn. De uitspraak “Ik ben de Wijnstok, jij de rank” kon ik intens ervaren. Ik moest niet iemand zijn voor God. Ik was sowieso al de geliefde rank. Ook toen, toen er naar mijn gevoel, ‘niets’ meer van me overbleef.
Dankzij die overgave kreeg ik onverwachte, nieuwe geschenken. Mijn zintuigen werden als het ware opnieuw geboren. Ik zag nu veel scherper hoe de vorm van de bladeren aan de bomen verschillen, hoe verrassend een zwerm vogels kan zijn die de lucht doorklieft, hoe mooi de kleuren zijn van elk seizoen. Ik mediteerde met geluiden als focus. Klassieke muziek kon me intens ontroeren. Woorden en zinnen welden bij me op door al dat moois. Ik schreef haiku’s. Korte versjes die als het ware uit de hemel dwarrelden bij mijn contemplaties.

Slechts één gele bloem
tussen vijftig tinten groen
Gij, stralende kracht

De maan gaat ons voor
Ze lacht, goud van vertrouwen
en schommelt de nacht

Met liefde strooien
Elke dag opnieuw, daartoe geroepen,
vanzelf

Wolken drijven maar
als grootswitte wattenzee
mijn kleinheid voorbij

Gooi met je vreugde
Licht en uitzinnig. Dans ze!
Tot over je grens

Alsof mijn hart wipt
als vlechten van een meisje
zo vrolijk om niets

Ik zocht mijn broer in Berlijn op in die periode, een kunstenaar, psychisch en fysiek kwetsbaar. Er groeide een zielsband die vorm kreeg in kleine kunstwerkjes die we nu samen maken. Ik schreef een boek over al mijn ervaringen. En dankzij een vriend werd ik vorig jaar vrijwilliger in de Franciscaanse beweging.

Het leven na burn-out heeft me ‘versimpeld’ en me het wezenlijke gespiegeld: dat we het leven krijgen, zomaar, gratuit, om niets. Dat we in die gave mogen staan. Dankbaar en vervuld. Die gave ontvangen, brengt innerlijk iets in beweging. Het is alsof je niet anders kan dan die gave uitstralen en zo teruggeven. Op mijn vijftiende stond de missie centraal en nu, bijna zestig, beleef ik het anders. Niet het doen, het verwerkelijken van de Liefde, maar het intens bij alles en allen Zijn in Liefde. Dit hebben we al vaak gehoord in La Verna! Groenten snijden kan dan even kostbaar zijn, als de Afghaanse kinderen ontvangen uit mijn buurt.
Verstilling maakt nu drie maal daags wezenlijk onderdeel van mijn dag uit. ’s Morgens schrijf ik in een dagboek, ’s middags overweeg ik een tekst, ’ s avonds maak ik de balans op van de dag en dank ik voor al het mooie en goede.

Maar nog leef ik in een te grote onrust, voel ik. Ik wil nog heel veel doen. Te veel. Mede daardoor ben ik vaak zo moe. Ik ben zooooooo overmoedig, terwijl mijn lichaam niet meer de helft kan van wat het vijf jaar geleden kon. Maar ook deze zwakheid in mij heb ik te dragen. Met vallen en opstaan. Een warme omgeving als La Verna helpt me mijn gesukkel te accepteren. La Verna nodigt me telkens weer uit het leven te blijven dansen en vieren, ondanks alles.

Blockoes (= houten blok + haiku) zijn kunstwerkjes van Brigitte en haar broer. Het zijn decoratieve blokken, gemaakt van kleurrijke collages en haiku’s . Artistiek, uniek en inspirerend. Kwetsbaar en spiritueel. Je kan ze op een kast zetten met een bloemetje erbij of aan de muur hangen. Je kan ze cadeau geven. Als je interesse hebt, neem dan een kijkje op https://blockoes.tumblr.com.