Verbeter de wereld, begin met jezelf. Verbeter jezelf, begin met de wereld.

jan-timmerman-2

Verhalen kunnen, in tegenstelling tot een theoretische uiteenzetting, mensen meeslepen, overtuigen, bekoren, bewegen en ontroeren. Een van mijn geliefkoosde verhalen komt uit de chassidische vertellingen die Martin Buber verzameld heeft. Hij vertelt over een mens die in zijn twee broekzakken twee verschillende briefjes heeft. Op het ene briefje staat “Omwille van mij is de wereld geschapen.” Op het andere: “Van stof en as zijt ge en tot as zult ge terug keren.”
Die twee vormen een mooi paar. Daar hou ik van. Het vat voor mij de essentie samen. Elke uitspraak op zich is al bijzonder mooi. Maar nog mooier is het, als je ze samen leest. Het behoedt voor twee valkuilen: hoogmoed of arrogantie aan de ene kant, (zelf)ontkenning aan de andere kant. Mooi is ook dat Buber vertelt dat ze in je broekzak zitten, aan beide kanten van je lichaam. Je ziet het zo voor je: bij elke stap bewegen ze mee, afwisselend nemen ze de leiding, alsof de beide uitspraken samen je in de juiste tred en ook in harmonie houden. Als je slechts een van beide leest, dreig je jezelf te ontwrichten en uit balans te halen, samen zorgen ze voor de juiste cadans.

Kristin vroeg me om iets over mijn levensverhaal te vertellen, over wat me motiveert. Hoezeer ik ook van verhalen hou, het voelt onwennig om iets over mezelf te vertellen, op papier. Wat vertel ik? Wat is niet belangrijk? Wat hou ik liever voor mij? Ik voel ook schroom om over mezelf te vertellen, mezelf zo voor het voetlicht te plaatsen. Is het niet ijdel, koketteren met mezelf?

Er zijn een aantal feiten, maar feiten op zich zijn niet zo interessant. Het gaat nooit zo maar om de feiten in je leven, de naakte gebeurtenissen die een mens meemaakt. Het gaat erom hoe je ermee omgaat. Voor ik, jaren terug, naar Guatemala op reis ging, las ik het levensverhaal van Rigoberta Menchu, een indiaanse vrouw die opkwam voor de rechten van de inheemse volkeren die geen stem hadden en zwaar werden gediscrimineerd. Een zeer aangrijpend verhaal, dat getuigde van veel moed en een soort profetische roep om rechtvaardigheid. Ik moest het boek af en toe wegleggen omdat de gruwel zo groot en wreed was. Hoe haar broertjes en zusjes stierven door de insecticiden die door vliegtuigen werden gespoten op het veld waar ze aan het werk waren, of hoe ze moest toezien hoe haar ouders werden gefolterd. Gruwelijk – maar tegelijk kreeg je het verhaal van een vrouw die daar niet aan ten onder was gegaan, maar enorm strijdvaardig, trots en menselijk was gebleven. Niet de feiten zijn belangrijk, wel hoe je ermee omgaat.

Soms vraag ik me af. Kan een mens wel veranderen? Blijven we niet altijd op een of andere manier gelijk aan onszelf? Met hetzelfde enthousiasme, met dezelfde onwennigheid, met dezelfde afweermechanismen, dezelfde idealen, dezelfde tics. Is er niet een soort van grondhouding die gelijk blijft, een temperament, een eigen ‘kleur’? Tegenover die grondhouding kan je je wel anders verhouden, maar die stroom blijft.
Ja, ik ben veranderd: ik blij dat ik niet meer gebukt ga onder een groot gebrek aan vertrouwen zoals toen ik 15 was. Ik ben blij dat ik gevechten met mezelf geleverd heb en dat er in de loop der jaren meer en meer ballast van me is afgevallen. En toch zit er nog altijd ook dezelfde kleine, enthousiaste jongen in me. En ben ik nog grotendeels dezelfde als toen ik 15-16 was. Waar ik toen van droomde, wat ik toen belangrijk vond, dat heb ik nog altijd. Ik vroeg me als scholier af: “Is het voldoende als je de wetenschappelijke vragen hebt beantwoord? Volstaat het om een respectabele plaats in de samenleving te hebben, een beroep met aanzien, laat staan een auto van een gerenommeerd merk…? Wanneer is je leven geslaagd en wat is daar voor nodig?” Heel concreet vroeg ik me af: “Leven ze wel echt, die slimste jongens van de klas? En wat is dat echt leven’? Waar het echt om gaat, is toch niet in cijfertjes uit te drukken.“
Wat een mens maakt tot wat of wie hij is, wat er echt toe doet, daar wordt vaak niet over gesproken en daar wou ik naar op zoek. Ik wist toen ook heel duidelijk: ik wil mijn leven niet laten domineren door materie. Ik wist: mijn leven mag niet enkel economisch zijn, want een leven dat enkel in teken staat van de economie, is niet meer dan over-leven.
Als jonge gast ervaar je alles misschien een stukje scherper. Ik dacht: ik leef maar 1 keer, dus moet ik tot het uiterste gaan en dreef het zo ver dat ik enkel een studierichting wou kiezen zonder onmiddellijk nut. Deze uitspraak van Buber was me erg lief: ‘De mensen kennen het nut van het nutteloze niet.’ In mijn jeugdige overmoed, moest het roer radicaal om. Ik studeerde filosofie, met niet minder dan de ambitie om door te dringen tot de kern van het bestaan en de toestand van de wereld, voilà. Dat wou ik verkennen en eigenlijk ben ik nooit opgehouden met die verkenning. Al moet ik nu wel lachen om zoveel overmoed, en voel ik wel enige gene om zoveel onbegrip tegenover iedereen die de wereld doet draaien, van de kruidenier tot de ingenieur, van de elektricien tot de wegenwerker.
De studie filosofie bracht, uiteraard, niet wat ik zocht. De zoektocht bleef. Wat geeft leven? Daar ben ik nu toch anders gaan over nadenken. De materie is ons huis, a.h.w. een tweede huid. Ik kan er nu erg van genieten om met materie bezig te zijn en bijvoorbeeld in de tuin werken. Dan voel ik dat ik ook een lichaam heb en dit laat me toe een veel voller mens zijn. Een mooie tuin, een mooi interieur, mooie verzorgde kleren, … stralen harmonie uit en kunnen ons ook a.h.w. met onszelf verzoenen. Ik geloof dat mensen in een mooie omgeving gelukkiger en gezonder zijn dan in een lelijke omgeving. De materie maakt ook onze wereld en dus onszelf. Dat is de paradox, hoe ontvankelijker ik word voor wat in deze materiële wereld is, hoe voller en echter de opening wordt naar wat niet zo expliciet is te vatten en uit te drukken. Spiritualiteit heeft alles met de realiteit hier en nu te maken.

Die drijfveer en zoektocht waren ook eenzaam, maar het vreemde was dat ik maar jaren later doorhad hoe eenzaam dat wel was. Het gevoel anders te zijn was niet te ontkennen, en daar moest ik mee voort.
Onlangs zag ik het volgende op Facebook passeren: “Every family has one weird relative. If you don’t know who it is, it’s probably you.” Dat herkende ik, en waar het vroeger problematisch was, is het nu een eenvoudig besef, zonder ermee te moeten koketteren en zonder me te moeten afzonderen. Die eenvoudige vaststelling, de (h)er-kenning van verschil, maakt alweer verbinding. Zijn we niet allemaal verschillend, zijn we niet allemaal een minderheidsgroep, is er ook niet een fundamentele eenzaamheid (die verbondenheid niet tegenspreekt) waar we mee te leven hebben?
Tegelijk bezorgt dat besef mij een vorm van wereldvreemdheid waar ik van hou. Dat klinkt misschien vreemd. Maar het is een wereldvreemdheid die vrijheid geeft. Ik hoef me niet aan te passen aan de wetten van deze wereld, ook al vlucht ik er niet uit weg. Dit hoort ook tot de kern van veel religies. Ik ben niet verplicht om naar de vreemde kuren van de wereld te dansen. Ik hoef me niet te buigen naar het dictaat van de massa, de mode, de hype van de dag. Ik mag in deze wondere wereld leven, maar ik moet er mij niet aan onderwerpen. Onlangs hoorde ik een filosoof zeggen: “Je moet overdag de krant lezen“ (en dus weet hebben van wat er in de wereld gebeurt) “maar lees ’s avonds poëzie” (om te kunnen reiken naar een ‘andere’ wereld, in welke betekenis ook).

De filosofie bracht ook geen voldoening. Ik raakte ook daarmee uiteindelijk niet uit mijn kronkels. Na een lange tijd ervaarde ik dat het cerebrale, het intellectuele van filosofie ook maar half was. Luc Versteylen noemde het vroeger ‘scalptuur’, alleen het bovenste deel van jezelf ontwikkelen. Via therapie zocht ik een uitweg. Het was mijn weg naar buiten. Uiteindelijk volgde ik een opleiding ‘Emotioneel lichaamswerk’. Deze vertrok van de wijsheid, de pijn, het geheugen en de belofte van je lijf. Ik kon niet anders dan de controle van mijn verstand loslaten om bij een andere, diepere laag te komen. De ervaring om gevangen te zitten in mijn verstand was heftig. Er was ook de onmacht om gevoel uit te drukken. Het voelde als een taal die ik had te leren. Af en toe kon ik een glimp opvangen, ervaren dat ik een bezield lichaam had en een belichaamde ziel was.

Tijdens mijn therapieopleiding, tweede helft van de jaren ’90, maakte ik voor het eerst kennis met familieopstellingen. Ik herinner me nog mijn verbazing en mijn wantrouwen. Ik kon niet geloven dat je kon ervaren hoe iemand, totaal vreemd aan jou zich voelde, zelfs een persoon die al was gestorven, zelfs iemand van het ander geslacht, of met een andere geaardheid, en met een totaal verschillende levenssituatie … Ik had veel tijd nodig om eraan te wennen. Pas toen ik zelf als representant in een opstelling stond, nam mijn wantrouwen beetje bij beetje af. Opstellingen kon ik met mijn verstand niet vatten, maar toch leken ze heel fundamentele drijfveren en gebeurtenissen te tonen. Mijn controle kon ik alleen maar loslaten, alsof er iets sterkers met me gebeurde. Mijn weerstand werd op een heel ingrijpende en toch zachte manier weggenomen. Het oorspronkelijke wantrouwen veranderde in fascinatie. Nu ik zowat 20 jaar bezig ben met opstellingen, is mijn verbazing er niet minder om geworden. En intussen beschouw ik het terrein van systeem- en familieopstellingen als mijn biotoop. Ik voel me er als een vis in het water. Het is een van de mooiste geschenken die ik gekregen heb. Het is een taal die me perfect ligt.

Het begeleiden van opstellingen is voor mij telkens een meditatie. Ze vragen van mij een openheid en een vertrouwen, maar het vreemde is dat opstellingen mij die zelf geven. Ze verbinden in mij intuïtie en helderheid, ze vragen van mij om waarheid uit te spreken zonder taboe, maar ook om heel nabij in zorg te zijn. Opstellingen hebben een enorme kracht in zich om perspectief te bieden, openingen te maken in gevoelens, houdingen, overtuigingen waar alles gesloten leek.
Opstellingen verbinden ook op de een of andere manier boven en beneden, wat gebeurt in een opstelling kan ik niet bewerkstelligen. Ik ben alleen een bevoorrecht toeschouwer. Wat gebeurt komt ‘van boven’, dat blijft een absoluut mysterie: ik moet luisteren, met al mijn zintuigen, mijn lijf en mijn ziel. Het is zowel heel eenvoudig als volledig raadselachtig en onbegrijpelijk. En het grijpt in in ervaringen die soms al decennia bevroren waren, in een last die mensen soms al jaren met zich meedragen en waarbij ze geen enkel uitzicht hadden, maar gevangen zaten in slachtofferschap, woede, diep verdriet, onmacht, … Opstellingen zijn geen toverformules, zo werd het in de begindagen al te vaak voorgesteld, maar het is wel een krachtige methode – ik hou van het Griekse woord ‘methodos’ dat zowel ‘weg’ als ‘zoeken’ kan betekenen – die perspectief kan bieden waar geen antwoord meer mogelijk leek.

Wat mooi is, is dat ik mezelf ook moet laten lei- 20 den, ik kan zelf niet echt iets, ik krijg leiding, ik krijg inspiratie van de ander en de anderen in de opstelling. Daar hou ik ook van. Ik geloof dat het Augustinus was die ooit zei: “Het is de luisteraar die doet spreken, het is de luisteraar die inspireert.” Zo gaat het ook in een opstelling, uiteraard moet een spreker weten wat hij wil zeggen. Om een opstelling te begeleiden heb je wel enige achtergrond en bagage nodig, over familiesystemen en dynamieken die kunnen plaats vinden tussen mensen, over helende en bevrijdende vormen. Maar in de opstelling is het net zoals in een gesprek: wat je zegt, wat je brengt, de manier waarop je iets zegt, wordt geïnspireerd door degene die luistert.

Ondertussen ben ik ook aan het experimenteren om de methodiek toe te passen voor maatschappelijke kwesties. Ik heb ooit een opstelling begeleid rond armoede: hoe kijken de verschillende overheden naar armen en armoede, wat willen armen dat hulpverleners niet zien, hoe stellen die hulpverleners zich op t.o.v. de armen, wat is de rol van het middenveld…? Wonderbaarlijk wat een opstelling ‘ziet’ en ‘toont’. Binnenkort begeleid ik een opstelling waarin we kijken hoe we in Vlaanderen omgaan met vluchtelingen.
In een opstelling sta je zowat letterlijk in de schoenen van anderen, je neemt verschillende standpunten in, je gaat staan op het punt van waaruit iemand anders kijkt. Dat levert een veelvoud aan perspectieven op, houdingen en visies. Dat alleen al is zinvol. Opstellingen moeten dan geen pasklare antwoorden bieden, ze kunnen veel inzicht opleveren. En ze tonen ook hoe alles met alles te maken heeft. Zo zijn vluchtelingen een deel van ons systeem, van onze wereld. We kunnen niet doen alsof ze niet bestaan. We kunnen hoge muren bouwen, al zitten ze in Griekenland, Italië, Libanon of Nigeria… ze zijn een deel van ons, ze zitten in ons vel, zowel de vluchteling als de mensenhandelaar.

Misschien hebben opstellingen mij dat bijgebracht. Mijn bevoordeligd, veilige leven hier heeft ook alles met de ‘grote’ wereld te maken. Ik ben geen eiland en wil of kan dat ook niet zijn. Wie ik ben, heeft veel met de wereld te maken. De financiële crisis van 2008 versterkte dat gevoel bij mij. Al staan de bankencrisis, de zogenaamde bubble van de immobiliënmarkt, de onrechtvaardige economische verhoudingen heel ver van mij – en wil ik er mij nog het liefst heel ver van afhouden – ik ben ook een burger, en ook al begrijp ik er niets van, ik behoor ertoe, wat ik doe maakt ook altijd een verschil. Een van de verzen die we met onze Brugse Zengroep, na ons zenuurtje, samen lezen, is de eerste gelofte van de Bodhisattva: “Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden.” Het is een onmogelijk vers en het kan misschien heel erg zwaar klinken en je overladen met een al te grote verantwoordelijkheid alsof je alle last van de wereld moet torsen, maar toch wijst het voor mij op iets essentieels: mijn leven is onlosmakelijk verbonden met dat van een ander, uiteindelijk van elke ander.

Het lijkt me zelfs een doel, jezelf vergeten. Het gaat toch niet om mij, het gaat er uiteindelijk om aan jezelf voorbij te gaan. Een leven dat alleen om jezelf draait, is frustrerend, heeft nooit genoeg en voelt altijd als tekort. Maar als het lot van de ander alleen maar weegt op mij, klopt het ook niet.
Zelf had ik ook jaren en heb ik nog eeuwen nodig om een klein beetje voorbij mezelf te geraken. En me het lot van anderen aantrekken moet me ook niet weghouden van de gewone kleine dingen. Ik voel soms een intens geluk als ik met de fiets naar huis rijd, als ik aan het koken ben, als ik naar heel pure muziek van Satie luister, als we naar zee gaan en ik zie plots die enorme grijsgroene vlakte in al haar glorie opdagen; ik kan ongelooflijk genieten van koeien in de wei, ben een groot liefhebber van die toonbeelden van Zen…

Uiteindelijk lijkt me het doel van je leven dat je je centrum buiten je centrum legt. Je centrum begint bij jezelf, maar heb je uit te breiden of om te keren. Dat lijkt me ten diepste ook je verlossing, al is dat een zeer groot woord. Het draait niet om mij, het draait om het andere/de andere dan mij. En uiteraard, ik blijf ook altijd maar een mens, met mijn noden en kleine behoeften die soms immens groot lijken. Het is goed om dat te blijven erkennen, en te weten en te beseffen, wat ik zelf toch nodig heb, waar ik zelf tegenaan loop, en waar voor mij de grens is.

Jezelf vergeten is een proces dat natuurlijk nooit af is, dat is steeds een veranderend open verhaal, zonder jezelf te verliezen. Misschien is heel dit verhaal wel in twee zinnen samen te vatten. Het gaat van ‘Verbeter de wereld, begin met jezelf’ naar ‘Verbeter jezelf, begin met de wereld’.