de-schoonheid-van-melancholoe

Lies Daenen

Lieve lezer,

Ik zit alleen op een terras in het zuiden van ‘Frankrijk, uitkijkend over een prachtige tuin met oude bomen, over wijngaarden en velden. En vooral: in stilte. Alleen met de geluiden van de natuur, het geluid van een tractor in de verte. La France profonde, la silence profonde. Alles is er om tot rust te komen. Om te genieten. En toch voel ik vooral weemoed. Melancholia. Schoon verdriet.

De lezing van Joke Hermsen die ik onlangs bijwoonde tijdens het Feest van de Filosofie komt me weer voor de geest. Joke had het over haar nieuwe boek ‘Melancholie en onrust’. Zoals steeds als ik haar boeken lees raakte ze bij mij een snaar van herkenning. Hermsen stelt een herwaardering voor van het gevoel van melancholie, van ‘Weltschmerz’, zoals we dat vooral kennen uit de romantische literatuur. Ze hekelt het medicaliseren en therapeutiseren van moeilijke, niet-positieve gevoelens.

In onze prestatiegerichte maatschappij, waar we voortdurend vooruit moeten gaan, past het niet meer om ons weemoedig te voelen. Om te verzinken in gevoelens van pijn en verdriet. Het kan na een zwaar verlies wel even, maar na de sociaal of wettelijk vastgelegde periode moet je weer verder. Er is bij ons gelukkig heel wat aandacht voor zorg en welzijn, maar ook daar geldt het adagium van de efficiëntie. We mogen even rouwen en verdriet hebben, maar dan horen we weer vrolijk te zijn en mee te draaien in de molen van de goede gevoelens, de goede sfeer.

Emoties als weemoed laten zich niet in een vakje duwen, ze zijn weerbarstig en dus verdacht. Jammer, want weemoed kan zo rijk en helend zijn. Er zit een traagheid in, een koestering. Het doet denken aan romantische zielen uit lang vervlogen tijden. Het is een complexe emotie. Donker, droef, naar binnen gekeerd, wendt ze zich tot de bodemloosheid van het leven. Maar door daar te verwijlen vindt ze er vaak een bron van zingeving. In de confrontatie met de eindigheid van het leven die de melancholicus vaak ervaart schuilt een mogelijkheid tot verzoening met de nietigheid van het bestaan door er de schoonheid van te zien en te ervaren.

Oprechte weemoed confronteert ons niet alleen met onze eigen kwetsbaarheid, maar voedt ook de compassie met de wereld. De melancholische persoon balanceert op een grens, een subtiel evenwicht tussen inkeer en louter egoïsme, tussen mededogen en puur zelfmedelijden, tussen vruchtbare stilte en lege passiviteit. Die balans vraagt een waakzaamheid van het gemoed, een goed aanvoelen van de gepaste ruimte en tijd die ze mag innemen, een grote gevoeligheid. Mij lijkt dat de melancholicus van vroeger sterke gelijkenis vertoont met de hooggevoelige van nu.

Het contact met de wereld rondom is belangrijk om in evenwicht te blijven. Maar melancholie vraagt ook afstand. Het kunnen verwijlen bij moeilijke, diepe emoties, het negeren van de druk van de oppervlakte, is nodig voor echt persoonlijk groeien en voor oprecht meevoelen met anderen. Melancholie kan, als ze de ruimte krijgt, een alternatief zijn voor meer manifeste vormen van weerstand zoals boosheid en verzet. Het is een stil verzet in schoonheid.

Vandaar dat weemoed in de kunst altijd een belangrijke plaats heeft gehad. In een wereld waarin voor melancholie weinig ruimte is zijn het vaak de schrijver en de kunstenaar die de leemte invullen. Hoeveel prachtige literatuur hebben we er niet aan te danken? Wat waren Rilke, Kierkegaard en Hölderlin geweest zonder weemoed? Hoe hadden de landschappen van Kasper David Friedrich hun intense palet gekregen?

Wat zouden we in muziek als uitdrukking van emotie bij uitstek niet moeten missen? De Fado als pure uiting van ‘saudade’ zou wellicht niet bestaan. Maar ook in de hedendaagse populaire muziek is weemoed alomtegenwoordig. Denk aan Leonard Cohen, aan het laatste album van David Bowie of aan de muziek die Nick Cave na de dood van zijn zoon schreef. Deze muzikanten gaan het lijden niet uit de weg, maar geven het een plek, sublimeren het, net door het op te zoeken, toe te laten en er schoonheid in te ervaren. Dankzij hen krijgen wij als luisteraars toegang tot gevoelens waar we bij onszelf niet altijd mee geconfronteerd willen worden.

Kunst troost door de herkenning en de erkenning. Ze laat ons beseffen dat onze gevoelens individueel én universeel zijn. Dat we niet alleen zijn in ons lijden. Kunst geeft betekenis aan het tekort, het falen, het verdriet, brengt het ter sprake zonder het te banaliseren.

Ook voor menig beeldend kunstenaar is weemoed als een muze. Als je bijvoorbeeld naar het werk van de Vlaamse schilder Thierry De Cordier kijkt kan je er niet omheen. Donkere zeeën, onbestemde landschappen, duistere figuren, alles in nuances van blauw, grijs en zwart, meestal op een achtergrond van vuil-gelig gebroken wit, zuigen je mee in de weemoedige diepte. Vaak nog versterkt door poëtische flarden tekst. Bij Dirk Braeckman, die België dit jaar vertegenwoordigt in de biënnale van Venetië, zijn de beelden zo mogelijk nog somberder, maar van een intense schoonheid. In zijn schilderkunstig aandoende foto’s spelen alle tonen van grijs de hoofdrol, met soms een vleugje vaalbruin of geel. De onderwerpen die hij toont zijn banaal. Het is de spanning tussen die banaliteit, de grauwheid en de mysterieuze schoonheid die hij door zijn manier van werken toevoegt die me als kijker intrigeert.

Als ik het kleurenpalet van veel hedendaagse kunstenaars bekijk stel ik vast dat De Cordier en Braeckman geen eenlingen zijn. Tegenover het felle, schreeuwerige kleurenspel van reclame en marketing stellen zij vaak een zacht, ingetogen, wat grauw palet. En traagheid. Niet toevallig, maar omdat we er als mens weer behoefte aan hebben. Het economische vooruitgangsdenken mag aan de oppervlakte nog steeds de hoofdtoon voeren, er komen steeds meer barsten in de schil. We hebben weer behoefte om ons te verbinden met de natuur, met onze kwetsbaarheid. We willen onze menselijke beperktheid weer zien en aanvaarden, het aangeleerde perfectionisme loslaten.

Als we daar samen mee willen omgaan, er een plek aan willen geven, dan zal de samenleving weer moeten leren om gevoelens van neerslachtigheid niet alleen te aanvaarden, maar zelfs te waarderen in plaats van ze meteen te problematiseren. Dan zou een meer genuanceerde kijk op wat nu – negatief – als depressiviteit bestempeld wordt helpend zijn. Dan mag er wat meer plaats komen voor muziek, voor kunst in onze leef- en werkomgeving. Niet als decoratie, maar als mogelijkheid tot verdieping, tot verbinding met het eigen lijden en met het stukje schoonheid dat daarin verscholen zit. Omdat het troostend kan zijn, helend en verbindend.

Lies, 15 mei 2017

Tips:
– boek ‘Melancholie van de onrust’, Joke J. Hermsen, Stichting Maand van de Filosofie
– Kunstbiënnale van Venetië, tot 26 11 2107, met onder meer werk van Dirk Braeckman